Mijn lijf als kompas

Foto: Heidi Fin at Unsplash

Ben ik een lijf of heb ik een lijf? De vraag wijst naar de meest basale verdeeldheid in mij tussen lijf en geest. Ze kunnen elkaar aardig in de weg zitten die twee, maar ook prachtig op elkaar zijn afgestemd. De eerste levensjaren dat wij de taal verwerven spelen hierin een cruciale rol. Het is de tijd dat ik mijn eigen lichaam leer kennen en er woorden aan leer geven. De juiste woorden helpen mij om lichaam en geest in evenwicht te houden. Het is een belangrijke stap naar een leven waar lijf en geest goed op elkaar zijn afgestemd.

Het flessenrekje van de ijskast is stuk. De afgelopen maand is het al een paar keer gebeurd dat ik de ijskast open en dat ik het volgende moment met een fles in mijn hand sta. Geen alcoholprobleem, maar nog voor ik heb kunnen nadenken wat er is gebeurd, heb ik gereageerd en de fles die dreigt te vallen opgevangen. Ik ben een lichaam. Een doelgericht organisme dat betekenisvol is afgestemd op zijn omgeving. Ik neem mijzelf met de fles in mijn hand waar, precies op de grens tussen lichaam en geest, tussen bewust en onbewust. Niet denken, maar doen. Geen taal, maar actie. En toch kan ik er een logisch, samenhangend verhaal over vertellen, achteraf. Een verhaal waarmee ik mezelf identificeer als een doelgericht wezen.

Het fascineert me hoe de geest met ons lichaam is verbonden. Ik en mijn lijf, het is de meest basale verdeeldheid in mij. Hoe zou dat zijn voor een baby? Nog geen taal en ook niet de ervaring en oefening om iets op te kunnen vangen, laat staan in een reflex. Maar wel al de doelgerichte beweging, waarmee de baby de borst vindt en het zuigreflex dat hem zeer doelgericht bezorgd wat het nodig heeft: voeding.

Wat kan er in hemelsnaam misgaan in dit pure geluk dat een lichaam is? Het lijfje van de baby beschikt nog vrij over zijn emoties. Niet alleen blijdschap, als het contact maakt of eten krijgt, maar ook verdriet, boosheid en angst volgen elkaar in korte tijd naadloos op. Geheel vrij, nog niet het bewustzijn om eraan vast te houden: ‘Ik ben boos en ik zeg niks meer!’ of ‘Ik ben verdrietig en het komt nooit meer goed!’.

Als baby ben ik een lijf. Ik ben helemaal overgeleverd aan mijn emoties op het moment dat ik ze ervaar. Er is niets tussen. Later leer ik: ‘ik heb een lijf’. Ik ervaar de emoties in mijn lijf, maar ik heb ook al enige afstand genomen. Door het geven van een naam, door de taal, kan ik mijn werkelijkheid bemeesteren: “Mama, papa, ik!”. Er ontstaat een wereld en ik word mens.

Hoe krijgt de baby zelfbewustzijn? Een mysterie, maar we kunnen wel zien dat het proces verloopt via spiegeling. De moeder of verzorger interpreteert wat het kind nodig heeft, benoemt het en verzorgt het kind. ‘Moet je huilen? Ah, ik zie het al je hebt een schone luier nodig’ of ‘Ja, je hebt honger hè? Kom maar bij mama dan gaan we eten.’ Het oogcontact met de baby is in deze eerste fase van zijn ontwikkeling heel belangrijk. Het oogcontact maakt het veilig voor de baby. In de spiegeling van de gelaatsuitdrukking leert het zijn eigen emoties kennen en reguleren.

Dit proces verloopt nooit perfect. Dat is zelfs niet de bedoeling. In een gezonde ontwikkeling worden fouten gemaakt. Een verzorger kan er soms niet zijn of een verkeerde interpretatie maken wat de baby nodig heeft. Niemand komt er ongeschonden doorheen. We leren om te gaan met deze gebreken. Het volwassen worden betekent leren omgaan met onze onvolmaaktheid. We accepteren dat we verdeeld zijn. We zijn noch geest noch lichaam. Iets is nooit alleen maar goed en nooit alleen maar fout. Er mag twijfel zijn. De taal helpt ons hierin te bemiddelen. En iedereen lijdt er wel eens onder. Het is de menselijk natuur dat er geen sluitend antwoorden zijn op onze grote levensvragen.

Het doel is ook niet het antwoord te vinden, want het bestaat eenvoudig niet. Het doel is het proces te verfijnen, zodat de emotie en de expressie, lijf en geest, in steeds subtielere beweging op elkaar betrokken zijn. Mijn lijf krijgt wat het nodig heeft, terwijl ik ook ben ingebed in de grote talige gemeenschap die wij samen vormen en die bepalend is voor mijn identiteit. De anderen maken ons tot mens. En soms weten we het even niet meer en zoeken we hulp bij de ander.

Wanneer het op een geven moment moeizaam gaat in ons leven, dan kan de kern van de problematiek teruggaan tot onze eerste levensjaren. De jaren dat wij via spiegeling in de taalgemeenschap werden opgenomen en ons eerste zelfbewustzijn creëerden.  De jaren dat wij hebben geleerd om de sensaties of affecten in ons lijf een naam te geven. Want die basisvaardigheid blijft essentieel ook als wij later voor meer complexe prikkels vanuit de buitenwereld komen te staan, dan is het verwoorden daarvan via het luisteren naar ons eigen lichaam cruciaal. Ons lijf is ons kompas. In onze eerste levensjaren, waarin wij dit kompas leren gebruiken, kunnen er twee verstoringen optreden: er worden te veel of te weinig spiegelingen aangeboden. 

In het eerste geval is het proces van spiegeling eigenlijk ‘te goed’ verlopen. De baby leert de sensaties in zijn lijf te benoemen en daar komen steeds nieuwe interpretaties en betekenissen bij. ‘Poep is vies.’ ‘Ik ben een jongetje en jij bent een meisje.’ ‘Ik moet stil zitten.’ ‘Ik ben lief want ik ben gehoorzaam.’ De spiegelingen en begeleidende interpretaties die we internaliseren worden deel van onze identiteit. Van meet af aan zitten daar strijdigheden in. Van papa mogen we andere dingen dan van mama. Eerst ben ik trots dat ik gepoept heb, en later is het vies. Met het ouder worden raakt onze identiteit steeds gelaagder en complexer. Er kan er een moment in je leven zijn dat de tegenstrijdigheden in je identiteit zo groot worden, dat je daardoor klem komt te zitten. Grofweg is dit het terrein van de klassieke psychoanalyse die het complex van identificaties helpt ontwarren en zorgt dat we weer heldere, eigen keuzes kunnen en durven maken.

De andere mogelijkheid is dat er juist te weinig spiegelingen en interpretaties zijn. In de vroege kinderjaren zijn er te weinig spiegeling aangeboden en daardoor heeft het kind onvoldoende geleerd de affecten of prikkels die zich aandienen in het lichaam te benoemen. Klachten uiten zich later vaak lichamelijk in bijvoorbeeld paniek- of eetstoornissen, verslavingen en ook burn-out. Bij een burn-out zie je heel letterlijk dat er langere tijd niet naar het lichaam geluisterd is. De signalen om het wat rustiger aan te doen worden simpelweg niet opgevangen of genegeerd. Dit type van klachten komt de afgelopen 30 jaar meer en meer voor. Het verband met onze gejaagde samenleving, waar moeders op de smartphone kijken terwijl ze voeding geven en dus geen spiegelingen aanbieden, ligt voor de hand.

De kunst van het leven is de afstemming van lijf en geest in evenwicht te houden. Zit je wat te veel in je hoofd met bijvoorbeeld allerlei conflicterende interpretaties over je eigen identiteit, dan is je lijf je kompas om weer de juiste prioriteiten te stellen. Welke interpretaties zijn van jou en welke oordelen heb je overgenomen en zitten je in de weg? Lijfwerk kan je helpen om daarin je weg te vinden door terug te gaan naar de basis, het lijf.

Ben je prikkelbaar of heb je lichamelijke klachten die je niet thuis kan brengen of benoemen, dan kan het zijn dat je in die eerste levensjaren te weinig spiegelingen hebt gekregen. Terwijl je inmiddels een grote woordenschat hebt, zelfs verschillende talen spreekt en complexe problemen kan verwoorden, kan je misschien niet zo goed voelen waar er spanning in je lijf zit, waar het warm is of koud, waar het fijn voelt en waar je misschien helemaal niets voelt. Het onderzoek hiernaar is typisch voor lijfwerk. Het benoemen van al die sensaties vergroot je lichaamsbewustzijn en helpt om meer alert te zijn wanneer en onder welke omstandigheden spanning zich opbouwt. Zo ontdek je wat je echt nodig hebt.

Ik sta met een fles in de hand en verwonder me over mijn lijf. Over de snelheid waarmee het reageert zonder dat ik daarover heb hoeven na te denken. Het lijf heeft een wijsheid die over miljoenen jaren is geëvolueerd. Het verhaal dat wij erover vertellen is pas helemaal aan het eind van die ontwikkeling eraan toegevoegd. Het zijn interpretaties die nooit volledig zijn en altijd weer nieuwe vragen opwerpen. Het lijf is de onderbouw van de geest en zoals alle lijfwerkers weten, het lijf liegt nooit! Maar dat is natuurlijk ook weer niet helemaal waar.

Bottom up!

Bottom Up

Sinds een maand of vier ben ik ’s morgens aan het hardlopen. De eerste twee maanden ging het van een leien dakje. Ik stond ‘s morgen te popelen om naar buiten te gaan en zat in een enorme goede flow. Inmiddels kraakt en piept het aan alle kanten. Een docent in de opleiding zei ooit dat bewegen eigenlijk de oplossing is voor elke depressie. De uitdaging voor de therapeut is alleen: hoe krijg je iemand zover? Ik geloofde dat, maar nu merk ik ook heel sterk dat de kunst is, hoe blijf je in beweging. Dat proces houdt zichzelf niet automatisch in stand. Mijn lijf protesteert en ik moet ernaar luisteren. Ik heb het tempo omlaag gegooid. Ik loop niet meer op tijd. De overtuiging dat de oplossing altijd bottom-up van het lijf naar het hoofd gaat, is weer op de helling gegaan.
Toch spreekt dat idee mij wel aan. ‘Een gezonde geest huist in een gezond lichaam’, is de klassieke, een beetje Spartaans geformuleerde uitspraak. Je zou ook kunnen zeggen dat het goede uit het hart komt en niet uit ethische principes. Zoals helden, die een brandend huis inlopen of in een rivier springen om iemand te redden, achteraf meestal zeggen: “Ik dacht er niet bij na, ik deed het gewoon.” Het lijf reageert voordat de geest erover na kan denken.

Omkering
Ook in de filosofie en de wetenschap zie je de omkering van top-down naar bottom-up. Aristoteles formuleerde het principe dat de vorm boven de stof gaat. Het principe hield zo’n tweeduizend jaar stand. God, de vorm of de geest, schiep de aarde. De planeten daaromheen beschreven de banen van de hemelse sferen. Vergelijkbaar met de koning als het centrum van het land en zijn dienaren en onderdanen die eromheen cirkelden (denk aan de zonnekoning). Op nog kleinere schaal gaf de man orde en structuur aan zijn gezin.

Die tijd is voorbij. De evolutietheorie van Darwin is wetenschappelijk de grote doorbraak geweest die deze omkering mogelijk maakte. Of misschien moet je het andersom zeggen: Darwin sloot aan bij een bredere omkering, die al veel langer aan de gang was, de omkering van top-down naar bottom-up (van de vorm naar de stof). Een belangrijke voorloper van de evolutietheorie was bijvoorbeeld de vrije-markttheorie van Adam Smith, waar de onzichtbare hand, automatisch en zonder ingrijpen van bovenaf, zorgde dat ieders streven in het eigen belang, ten goede kwam aan de gemeenschap.

Bottom-up zie je overal
In de wetenschap zie je dat het bottom-up denken nog altijd aan terrein wint. Natuurkundigen zijn inmiddels vergevorderd om de hele materiele werkelijkheid te verklaren vanuit de eigenschappen van één subatomair deeltje, de superstring. Alle sociale en menswetenschappen hebben inmiddels wel een richting die het vakgebied benadert vanuit de evolutietheorie. Wie zich bijvoorbeeld bezighoudt met psychologie, kan niet meer om het feit heen van de triune brain: de drie lagen van de hersenen, die evolutionair zijn te herleiden tot het reptielen brein, het zoogdieren brein en de neo-cortex. Het is bij uitstek deze laatste die de mens en de primaten onderscheidt van de andere zoogdieren.

In het bedrijfsleven zie je de bottom-up benadering met zelfsturende teams, herwaardering van de coöperaties en met werknemers die hun eigen salaris bepalen in de radicale industriële democratie van Ricardo Semler. Bedrijven met weinig bestuurslagen is de trend. Maatschappelijk zie je steeds meer bewegingen die gefaciliteerd door internet en de sociale media, van onderop in actie komen. Democratisering is natuurlijk al een veel oudere trend. Is de recente teloorgang van de politieke democratie misschien een uiting van het fenomeen dat burgers niet zo makkelijk meer top-down over hen laten bedisselen?

Onvoorspelbaar
De twee principes van de evolutietheorie zijn in een notendop: natuurlijke variatie en natuurlijke selectie. Met natuurlijk variatie wordt bedoeld dat de variatie random is. Geheel toevallig, wat natuurlijk een klein wonder is, want van random naar zonder oorzaak, is een kleine stap. In de kwantummechanica, de theorie van de kleinste elementaire deeltjes, werd die kleine stap radicaal gezet door Niels Bohr. Op de allerkleinste schaal, in de kwantumwereld, vinden gebeurtenissen plaats zonder oorzaak. Einstein bood lang weerstand tegen dit idee met zijn puntig geformuleerde ‘God speelt geen dobbelspel’, maar inmiddels is toeval en onvoorspelbaarheid algemeen geaccepteerd, ook in wetenschappelijke kringen. Met name de chaostheorie laat zien hoe systemen fundamenteel onvoorspelbaar zijn in hun gedrag; niet door gebrek aan kennis, maar als essentieel onderdeel van het systeem. Uit de alsmaar wisselende configuratie van de onderliggende deeltjes, komen telkens nieuwe eigenschappen op die fundamenteel onvoorspelbaar zijn.

Een klein voorbeeld: informatici doen tegenwoordig onderzoek naar het gedrag van mieren en zwermen vogels. De software die zij ontwikkelen om complexe problemen op te lossen, bootst het gedrag van deze dieren na. Schwarming intelligence wordt dit genoemd. De biologe Monica Gagliano zei daarover ‘Schwarming intelligence is niet alleen sterk door de simpele regels die het gedrag van de individuele dieren bestuurt, maar ook wendbaar en flexibel, doordat die regels altijd weer uitzonderingen toestaan. Dat betekent dat elk lid van de groep zijn individualiteit behoudt, iedereen is uniek en verschillend’. Dat is de natuurlijke variatie.

Ik zelf
Ook mijn diepste ik, mijn innerlijk zelf, is het onverwachte gevolg van miljarden celletjes en neuronen die bottom-up op een totaal onvoorspelbare wijze samenwerken. Al die celletjes vormen samen mijn lichaam. Ik probeer ernaar te luisteren: Wat heeft mijn lichaam nodig? Hardlopen.

Ook al gaat het nu een tijdje zwaar en moet ik mij ertoe zetten. Ergens voel ik dat het ik het nodig heb. Ik ken het rondje rond het meer, zo’n vier kilometer, inmiddels heel goed. Het afgelopen jaar heb ik op dit rondje vlakbij huis veel vogels leren kennen, waarvan ik vaak de naam voorheen niet eens kende. De keep, de snor, de roodborsttapuit en de putter (wauw, wat is die mooi) zijn maar enkele voorbeelden. De meeste vogels zijn nu weg. Er zitten wat reigers, een groep fazanten en heel veel meeuwen en hoentjes. Natuurlijk ook veel ganzen die het hele pad onder schijten. Grote stukken moet ik de blik goed op de weg gericht houden, om mijn prachtige nieuwe loopschoenen niet te bevuilen.

Het heeft gevroren en een beetje wanhopig loop ik naar buiten. De kou trekt meteen in mijn lijf. De wind waait dwars door mijn sweater. Ik twijfel of ik moet doorlopen, onzeker over elke volgende stap. Halverwege begin ik warm te worden. De lucht is helderblauw en het meer is dichtgevroren. De ganzen en hoentjes zitten bij het laatste windwak, op een kluitje bij elkaar. Mijn hoofd wordt helder. Mijn lijf wordt lichter. Ik kan vertrouwen dat er oplossingen komen. Vier stappen de adem in en twee stappen voor de uitademing. Het ritme geeft energie. Ik sla de hoek om naar mijn huis en daar vliegt een ijsvogel weg en land in de tuin van de buren.

Het lijf liegt niet

Lichaamsgericht werken neemt het lijf als ingang voor therapie. Heel vanzelfsprekend eigenlijk, omdat emoties in ons lijf waarneembaar zijn. Wanneer we die emoties onderdrukken, kunnen we dat een tijdje volhouden, maar de spanning zal zich opbouwen. Dit is waarneembaar in onze houding en lichaamstaal en daar heeft lichaamsgerichte psychotherapie extra aandacht voor. Het lijf liegt niet! is dan de gevleugelde uitspraak. Het voelt gewoon heel kloppend. Maar wat betekent die uitspraak eigenlijk?

Twee ogen kijken me indringend aan. Geen knippering, geen angst. Ik ben een vogel die op vlinders jaagt en vlieg toch maar even verder, want dit exemplaar vertrouw ik niet helemaal. Ikzelf ben een prooi voor uilen. Door misleiding vlieg ik door. Wie zal beweren dat het lijf van de vlinder gelogen heeft?

Liegen veronderstelt een waarheid en een leugenaar die deze waarheid bewust verdraait. Welllicht dat de vlinder een klein beetje bewustzijn heeft. Over de hoeveelheid daarvan en hoe je dat waarneemt, kun je discussiëren. Zo niet over de tekening op de vleugels, die is zeker onbewust gegroeid in een evolutionair proces. De vlinder is dus geen leugenaar, maar zijn lijf misleidt zijn aanvaller.

Dat brengt ons bij de oude filosofische vraag: wat is waarheid? In de geschiedenis van de filosofie heeft die vraag telkens een ander antwoord gekregen. Een van de meest moderne opvattingen daarover is de theorie van het pragmatisme. Die zegt de taal is een gereedschap. Een bewering of theorie is waar, wanneer de toepassing het gewenste, beoogde of verwachte resultaat oplevert. Ik geef een voorbeeld. Waarom zijn de natuurwetenschappen waar? Het antwoord van de pragmatist is in de kern: kijk maar wat het ons gebracht heeft en wat we er allemaal mee kunnen. Succes is het criterium van waarheid. Ik kan dat ook formuleren als: waar zijn alle opvattingen die mijn leven bevorderen en onwaar zijn alle overtuigingen die mijn leven verstikken. In de deze formulering zie je ook dat het pragmatisme sterk door de evolutietheorie is beïnvloed. In de evolutie is succes het krijgen van nakomelingen, het voortzetten van het leven.

Nu terug naar de uitspraak ‘het lijf liegt niet’. Eigenlijk zeg ik: het lijf zal zijn eigen leven niet verstikken. Bij implicatie gaan we ervan uit dat onze geest of bewustzijn dat wel kan doen. Te denken valt aan piekeren of tobben, het vasthouden aan boosheid of verdriet, of ook bijvoorbeeld het jezelf groothouden en alsmaar doorgaan, terwijl het lijf langzaam raakt uitgeput. Het zijn defensiemechanismen van het ego die het leven niet ten dienste staan, maar ondermijnen. We kennen ze allemaal. Volgens veel psychologen kan je onze hele identiteitsvorming zelfs opvatten als een langgerekte defensie-poging.

Mijn identiteit word ik mij bewust in de taal: Ik ben die ik ben. De eerste functie van de taal is het bemeesteren. De taal is ons instrument om de ongenaakbare werkelijkheid die zich aandient via de zintuigen en affecten van het lichaam, een plaats te geven en zo hanteerbaar te maken. En allereerst hanteerbaar tegen de angst. De angst dat wij als baby nog volledig afhankelijk zijn van de zorg uit onze omgeving. De angst voor de chaos die zonder al onze interpretaties, ons steeds omringt. Deze angst is volgens vele filosofen en psychologen de meest elementaire emotie.

De taal beschermt ons tegen die angst. Ik ben ik en mijn lijf is mijn lijf. De taal zorgt dat wij iets als iets kunnen zien. Ik zie en voel mijn handen als deel van mijn lijf. Mijn huid neem ik waar als grens tussen mijzelf en de buitenwereld, de horizon als de scheidslijn tussen hemel en aarde. Zo kunnen wij ons via de taal oriënteren in onze omgeving, doordat wij er een zekere afstand van hebben genomen. Dit iets ‘als’ iets zien is de toegang tot de betekeniswereld. Het markeert de overgang van het onbewuste naar het bewuste leven. De geschiedenis van de filosofie gaat over de vraag wat dit als is.

Voor een baby in de baarmoeder valt alles wat er is, nog samen met hemzelf. Zijn wereld is zo groot als de baarmoeder. Hij ziet zichzelf als de wereld. En het klopt, ook vanuit ons perspectief is de baby samen met de moeder nog één organisme, de baby en zijn leefwereld zijn één. Na de geboorte zal het nog enige tijd duren voordat de baby zijn moeder als apart wezen zal gaan herkennen, als een ander: “Mama.” De baby leert er een woord voor. Daarna komt de vader en via hem de andere anderen, van wie hij rond zes maanden ook steeds meer de gezichten zal gaan herkennen. Zo rijst voor de baby uit de chaos een wereld op, die hij via de taal kan benoemen. Daarmee wordt de mens een werkelijkheid ingeleid die hij vertrouwt. De taal is als een huis waar hij thuis is.

Defensie mag wat negatief klinken, maar heeft natuurlijk altijd een positieve bedoeling. Het is de bescherming van het leven en wij kunnen zeker niet zonder. Onze identiteit dient dus het leven en is in die zin waar. Alleen identiteit, het woord zegt het al, is ook het vastzetten van iets: X=X. Ik ben door de tijd heen dezelfde. Terwijl iedereen ook beseft dat wij voortdurend veranderen. De werkelijkheid en het leven zijn altijd in beweging. Het leven stroomt. Onze identiteit wordt gevormd om die stroom te beschermen, maar na verloop van tijd kan een vastgezette identiteit de stroom ook belemmeren.

Het is hier dat lijfwerkers kunnen zeggen: het lijf liegt niet. Waar we met het hoofd, de taal en ons ego dingen kunnen vastzetten, kunnen we via het lijf de levensstroom en de levensenergie weer terugvinden. Lijfwerk gaat over het bevorderen van de levensenergie. En eigenlijk is het deze energie of stroom, die nog geest noch lichaam is, die nooit liegt. Het is correcter om te zeggen: het leven liegt niet. Het is helemaal vol en goed zoals het er vanzichzelf uit is.

Zowel de geest als het lichaam kunnen de levensstroom vastzetten. De geest kan liegen in de echte zin van het woord. Wij kunnen overtuigingen hebben die het leven niet dienen en tegelijkertijd daarvan wegkijken, dat is onszelf, bewust of onbewust dat laat ik nu in het midden, misleiden. Hoe moeilijk valt het ons de oude Grieks wijsheid ‘Ken u zelve’, die op de tempel van Delphi was te lezen, in de praktijk te brengen.

Ook het lijf kan de natuurlijke levensstroom belemmeren. In lijfwerk noemen we dat het karakterpantser. Het zijn de emoties die we onderdrukt hebben, die zich als spierspanningen in het lijf hebben vastgezet. Zo zijn we vastgelopen in de rollen die we in het leven hebben aangenomen, maar die we niet werkelijk zijn. Wij zijn levensenergie. Het lijf heeft een natuurlijke impuls voor die levendigheid. Die impuls te onderzoeken dat is wat lijfwerk doet. Natuurlijk kan het lijf misleiden, zoals de kreeft in een huis kan zitten dat te krap is geworden. De kreeft moet zijn huis verlaten en daarmee zijn kwetsbaarheid tonen. Dat is een pijnlijk proces en vergt inspanning. Maar het levert de kreeft uiteindelijk een goed passende woning op. Het vergt moed om die reis aan te gaan. Lijfwerk nodigt daartoe uit.

De evolutie is conservatief en zal een eenmaal gevonden oplossing zoveel mogelijk hergebruiken. De kwaliteit van een oplossing kan je afmeten aan de tijd dat deze effectief is. De eerste zoogdieren ontwikkelde zich 200 miljoen jaar geleden. De homo sapiens is pas 300.000 jaar oud en de taligheid heeft zich nog later ontwikkeld. In het lijf is in die lange geschiedenis veel wijsheid opgeslagen. Wijsheid waar wij via lijfwerk een heel klein beetje naar kunnen gaan luisteren.

Wanneer je via lijfwerk bijvoorbeeld de pijn kan ervaren, die je als pantser eigenlijk normaal bent gaan vinden en je doet dit in contact, in contact met iemand je pijn kan zien en compassievol kan ontvangen, dan kan dat een mens helen. Dan kom je weer in contact met je diepste kern of levensenergie. Dan komen er tranen ‘als smeltwater van het hart’. Tranen die over je wangen stromen, een lijfelijke ervaring die we niet kunnen of hoeven uitleggen. Dié ervaring is waar therapeuten op doelen als zij zeggen het lijf liegt niet!

Ik zing, dus ik sta

Iedereen kent dat wel, die ervaring dat als je ergens in gelooft je het ook veel beter kunt. En omgekeerd dat als je de overtuiging mist, het helemaal niets wordt. Onlangs had ik een mooie positieve ervaring met zingen voor een groep. Mijn stem voelde vrij en ik genoot ervan. Ik heb zo vaak bij het zingen een beetje timide staan brommen. Hoe was me dat gelukt om daar zo vol overtuiging te staan?Overtuigd zijn is ook ergens voor gaan staan en dat mag je heel letterlijk nemen. Je kan beginnen met een oefening hoe je goed staat, zoals je in het lijfwerk leert. Als je goed staat heeft dat ook een mentale uitwerking. De theorie van Robert Dilts over de logische Niveau’s, die veel wordt gebruikt in NLP, is een goede hulp om dat proces nog wat beter te begrijpen. In deze blog vertel ik daar meer over: https://bodymindopleidingen.nl/ik-zing-dus-ik-sta

Verlichte verwarring

Boekrecentie: ‘Zie je bent al vrij’ van Hans Knibbe

De titel verwoordt het kerninzicht van de Dzogchen filosofie, een van de gnostische loten aan de Boeddhistische stam: alles is helemaal goed zoals het is, er hoeft niets te veranderen. Je dient alleen te herkennen dat je al vrij bent. Je hoeft dus geen moeite te doen. Het pad naar verlichting is niet een weg van hard werken, maar een ‘padloos’ pad. Je kunt een weg gaan om sterker in de ervaring te komen van verlichting, maar uiteindelijk kom je thuis op het punt waar je vertrok. Dzogchen is de belangrijkste inspiratiebron voor Hans Knibbe. […]Knibbe verwoordt zijn inzichten helder en toegankelijk. De filosofie is doorwrocht en vol aanknopingspunten voor Westers geschoolde filosofen; een aanrader om te lezen.” 

Lees hier de hele recentie